ESG-perspectief - de risico’s van klimaatverandering voor de olie- en gassector

ESG-perspectief - de risico’s van klimaatverandering voor de olie- en gassector
05-11-18

NN Investment Partners neemt klimaatgerelateerde risico’s in de olie- en gassector serieus. We vinden ook dat we als belegger een belangrijke rol hebben in de transitie naar een CO2-arme wereld. Daarom hebben we holistische engagementdoelen geformuleerd. We streven naar consistentie, waarbij we van olie- en gasbedrijven een transitieplan verwachten.

Beleggers en vermogensbeheerders nemen de risico’s van klimaatverandering steeds vaker mee in hun beleggingsbeslissingen, want bedrijven die hier niets mee doen krijgen het in de transitie naar een CO2-arme wereld steeds moeilijker. De olie- en gassector draagt door zijn activiteiten, diensten en gebruik van zijn producten sterk bij aan klimaatverandering en heeft dus ook te maken met de bijbehorende risico’s. Om deze te beperken, zijn er op de korte, middellange en lange termijn flinke veranderingen nodig.

In deze MindScope belichten we de diversiteit en complexiteit van de olie- en gassector. Niet alle bedrijven pakken klimaatgerelateerde risico’s even serieus aan en het ene bedrijf staat veel meer open voor een discussie over dit onderwerp dan het andere. Voor beleggers is een consistente engagementstrategie daarom lastig. Een transitie van de sector zal ook niet van de ene op de andere dag plaatsvinden en beleidsmakers hebben hier een rol in. We kunnen echter wel maatregelen doorvoeren die de transitie versnellen.

NN Investment Partners (NN IP) neemt klimaatgerelateerde risico’s in de olie- en gassector serieus. We vinden ook dat we als belegger een belangrijke rol hebben in de transitie naar een CO2-arme wereld. Daarom hebben we engagementdoelen opgesteld. We streven naar consistentie, waarbij we van alle olie- en gasbedrijven waarin we beleggen verwachten dat ze soortgelijke strategieën implementeren. Dit zal de energietransitie in gang houden en voor een snellere ontwikkeling zorgen.

Klimaatverandering en de rol van de olie- en gassector

Klimaatverandering, of het broeikaseffect, verwijst naar de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde en de gevolgen daarvan. De temperatuurstijging komt vooral door de toenemende hoeveelheid broeikasgassen in de aardatmosfeer. De belangrijkste gassen zijn koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O). Deze gassen houden warmte vast. Hoe groter de hoeveelheid van deze gassen in de aardatmosfeer, hoe minder warmte er dus kan ontsnappen, waardoor de temperatuur op aarde stijgt.

In zijn vijfde evaluatierapport[1] trok het wetenschappelijk klimaatpanel van de Verenigde Naties (IPCC), een groep van 1.300 onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen uit de hele wereld, een harde conclusie. De kans is volgens het IPCC meer dan 95 procent dat menselijke activiteiten in de afgelopen 50 jaar onze aarde hebben ‘opgewarmd’ door een toename van de hoeveelheid broeikasgassen.

Menselijke activiteiten die bijdragen aan de klimaatverandering zijn: ontbossing, transport, veranderingen in landgebruik en de verbranding van fossiele brandstoffen.

De verbranding van fossiele brandstoffen voor energiedoeleinden, bijvoorbeeld kolen, olie en gas, levert veruit de grootste bijdrage aan de toename van CO2 in de atmosfeer. Dit komt door het verbrandingsproces, waarbij koolstof wordt gecombineerd met zuurstof in de lucht om CO2 te produceren. Daarbij komen andere broeikasgassen vrij als gevolg van onvolledige verbranding.

In deze MindScope richten we ons op de olie- en gassector. Belangrijk hierbij is dat transport, van auto’s tot vliegtuigen, goed is voor ongeveer 70% van het wereldwijde olieverbruik. Andere toepassingen zijn bijvoorbeeld bouwactiviteiten en landbouw. We zullen deze sectoren in een later stadium analyseren.

Uitstoot van broeikasgassen naar economische sectoren

De binnenste cirkel toont het aandeel van vijf economische sectoren in de directe uitstoot van broeikasgassen (% van de totale antropogene uitstoot van broeikasgassen) in 2010. De vergroting rechts laat de sectorverdeling zien van de indirecte CO2-uitstoot uit de productie van elektriciteit en warmte.
Bron: UN Sustainable Development Goals, 2018

Klimaatgerelateerde risico’s voor de sector

In financiële kringen gaat het steeds vaker over de mogelijke risico’s van klimaatverandering voor de olie- en gassector als de wereld actief overgaat naar een CO2-arme economie. In 2015 zei Mark Carney, gouverneur van de Bank of England en voorzitter van de Financial Stability Board van de G20, dat bij het koolstofbudget voor een ‘tweegradenwereld’ (zie volgende pagina) “veruit de meeste reserves [van olie en gas] zullen stranden”.

De waarde van olie- en gasbedrijven wordt medebepaald door hun reserves aan fossiele brandstoffen en daarom is het transitierisico een grote bedreiging voor de totale waarde van de sector. Analisten en de industrie zijn het niet eens over wanneer er een einde zal komen aan de groei van de behoefte aan olie. Grotere olie- en gasbedrijven voorzien een piek aan het eind van de jaren 2030, maar sommige ngo’s al in 2020. De belangrijkste variabele in deze vergelijking is de mogelijke verstoring door nieuwe technologieën aan de aanbodzijde (hernieuwbare energie zoals zon en wind) en de vraag naar elektrische voertuigen en een ander gebruik van energie.

Het is dan wel niet bekend vanaf wanneer de vraag naar olie niet meer zal toenemen, maar de kans is groot dat deze minder snel zal groeien. Bedrijven in de sector worden geconfronteerd met de risico’s die hieraan zijn verbonden als ze hun businessmodellen niet aanpassen. Bovendien is er een risico in verband met de verandering in het consumentengedrag. Een groter bewustzijn van de gevolgen van olie en gas voor het klimaat kan mensen motiveren om minder energie te verbruiken.

Naast de monetaire risico’s van de transitie naar een CO2-arme wereld, vormt ook de fysieke schade van klimaatverandering een risico. Klimaatverandering zorgt voor andere watercycli en extreem weer, zoals stormen, tsunami’s en cyclonen. Dit kan leiden tot grotere fysieke schade aan de energie-infrastructuur, de voedsel- en watersystemen, de bevolking en de wereldeconomie. Hoewel alle landen in een of andere vorm door de klimaatverandering zullen worden geraakt, lopen sommige regio’s meer risico dan andere.

Richtlijnen, regelgeving en beloftes

De potentiële risico’s van klimaatverandering hebben geleid tot nationale en internationale maatregelen in de vorm van strengere regels en kaders voor het terugdringen van de uitstoot en de totale bijdrage aan klimaatverandering. Deze nieuwe regelgeving heeft grote gevolgen voor olie- en gasbedrijven, verantwoordelijk voor veel uitstoot en de productie van fossiele brandstoffen.

Een van de cruciale factoren is het Klimaatakkoord van Parijs[2] van december 2015. In februari 2018 hadden 195 leden van het UNFCCC dit Akkoord ondertekend, waaronder 175 partijen in het overkoepelende Klimaatverdrag. Het Akkoord is bedoeld om wereldwijd beter in te spelen op de dreigende klimaatverandering door de temperatuurstijging deze eeuw te beperken tot maximaal 2 graden boven het pre-industriële niveau (tweegradenwereld) en daarna tot maximaal 1,5 graden. Het Akkoord bevat geen wettelijke voorschriften, alleen richtlijnen. Toch is het de eerste uitgebreide klimaatovereenkomst ter wereld die het gebruik van fossiele brandstoffen kan (helpen) terugdringen.

De EU zet in het licht van het Akkoord in op een emissiereductie van minimaal 40% in 2030 (ten opzichte van 1990), inclusief emissierechten in de EU. Tegelijkertijd willen wereldleiders het gebruik van olie en gas op nationaal niveau geleidelijk afschaffen. De Franse president Macron heeft gezegd er in 2040 geen benzine- en dieselauto’s meer verkocht mogen worden om aan het Akkoord van Parijs te voldoen. De Britse regering deed een maand later hetzelfde.

Klimaatverandering staat niet alleen op de agenda van landen met een hoog inkomen. Ook opkomende markten komen met kaders om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. De grootste vervuiler ter wereld, China, wil de groei van de CO2-uitstoot uiterlijk in 2030 tot staan brengen en heeft toegezegd dat 20% van de energie dan uit koolstofarme bronnen komt. Tussen 2005 en 2030 moet daarnaast de uitstoot per eenheid van het bbp met 60-65% worden teruggebracht. Deze toezeggingen zijn in lijn met het Chinese handelssysteem voor emissierechten, dat in 2018 van kracht wordt. India heeft zich ten doel gesteld om de emissie-intensiteit in 2030 met 33%-35% te verminderen ten opzichte van 2005. Mexico streeft naar een onvoorwaardelijke emissiereductie van broeikasgassen en milieuverontreinigende stoffen van 25% in 2030.

De tweede grote veroorzaker van CO2-uitstoot, de VS, neemt een heel andere positie in. De regering-Trump is niet van plan de milieuwetgeving strenger te maken en lijkt zich af te vragen of er überhaupt wel sprake is van klimaatverandering. Het land heeft zich teruggetrokken uit het Akkoord van Parijs en draait milieumaatregelen van de vorige president Obama terug.

Op het gebied van zelfregulering biedt de Task Force on Climate-related Financial Disclosures (TCFD)[3] de olie- en gassector een raamwerk om klimaatgerelateerde informatie consequent op te nemen in de reguliere financiële rapportages. Het raamwerk moedigt bedrijven aan om hun beleggers en andere stakeholders vrijwillig te voorzien van informatie over klimaatrisico’s. Zo kunnen ze laten zien dat zij voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering voor hun bedrijfsvoering. Aan het begin van het cijferseizoen in het eerste kwartaal van 2018 hadden echter slechts vier bedrijven waarin NN IP belegt zich achter de TCFD-richtlijnen geschaard.

Potentiële risico’s voor de sector

NN IP staat via zijn beleggingen in de olie- en gassector ook bloot aan risico’s die te maken hebben met klimaatverandering. We hebben diverse bedrijven in de sector op een aantal onderwerpen getoetst, om inzicht te krijgen in de risico’s die we als belegger lopen.

We hebben 49 bedrijven in de sector geanalyseerd, verdeeld in de volgende categorieën:

  • We clusteren negen bedrijven in ‘Apparatuur & Diensten in Olie en Gas’ (bedrijven die de apparatuur en bijbehorende diensten leveren aan olie- en gasbedrijven).
  • Acht bedrijven vallen onder ‘Olie- en gasexploratie en -productie’ (bedrijven die zich vooral bezighouden met de exploratie van olie- en gasreserves in de bodem en de winning ervan, meestal ‘upstream-activiteiten’ genoemd).
  • Zes bedrijven vallen in ‘Olie- en Gasraffinage en Marketing’ (ook wel aangeduid met ‘downstream-activiteiten’). Deze bedrijven richten zich op het verwerken van olie en gas uit de upstream-fase tot een eindproduct.
  • Vijf bedrijven behoren tot ‘Opslag & Transport van Olie en Gas’ (ofwel ‘midstream-activiteiten’). Bedrijven in deze fase van het productieproces richten zich op de opslag en het transport van olie en gas uit het upstream-proces. Ze leveren het af op een locatie waar het zal worden verwerkt tot een eindproduct en op de markt zal worden gebracht).
  • 21 bedrijven vallen onder ‘Geïntegreerde Olie en Gas’ (bedrijven die betrokken zijn bij meerdere fases van het productieproces, behalve exploratie, productie, raffinage en distributie van olie en gas). Deze bedrijven hebben doorgaans de hoogste marktwaarde als gevolg van de omvang en breedte van hun activiteiten.

De klimaatrisico’s voor de sector hebben impact op alle categorieën, maar op verschillende manieren. De schade aan de infrastructuur in olierijke gebieden door klimaatgerelateerde stormen heeft bijvoorbeeld een onevenredig effect op exploratie- en productiebedrijven. En de strengere klimaatregels en hardere aanpak van de uitstoot van schadelijke broeikasgassen op nationaal en internationaal niveau raken bedrijven in de raffinage en marketing van fossiele brandstoffen fors.

Gezien het bovenstaande zullen alle activiteiten aan de aanbodzijde waarschijnlijk worden beïnvloed door 1) de verwachte transitie naar duurzame energiebronnen en 2) meer extreem weer als gevolg van het broeikaseffect. Omdat geïntegreerde olie- en gasbedrijven in de hele keten aanwezig zijn, zullen deze fors worden geraakt. Hun kapitaalintensieve karakter, met projecten die miljarden kosten en tientallen jaren duren, maakt hen het meest kwetsbaar, want hun bedrijfsmodel kan niet zomaar worden veranderd (in elk geval niet zonder enorme kapitaalvernietiging). Ze zijn tevens verantwoordelijk voor een groot deel van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Hoewel dit eerder komt door omvang dan door een slechte operationele uitvoering, maakt hun bekendheid bij het grote publiek grote oliebedrijven makkelijke doelwitten in campagnes van milieugroeperingen, ngo’s en overheden. Dit maakt het alleen nog maar urgenter om klimaatgerelateerde risico’s serieus te nemen. Als de sector als geheel de exposure naar klimaatgerelateerde risico’s wil verkleinen, dan vergt dit een grote verschuiving van de activiteiten van de geïntegreerde olie- en gasbedrijven.

Research

Op basis van de benadering van klimaatgerelateerde risico’s kan de olie- en gassector in twee kampen worden verdeeld:

  1. Partijen die in olie en gas willen blijven en zich daarom richten op energie-efficiëntie en meer maatschappelijke verantwoordelijkheid op de gebieden waarop zij actief zijn, om hun bijdrage aan de klimaatverandering te beperken
  2. Partijen die een stap verder gaan en investeren in CO2-arme technologieën en hun energiemix proberen te diversifiëren

Na een sterk neerwaartse cyclus worden oliemaatschappijen weer winstgevend dankzij het herstel van de grondstoffenprijzen. Geen wonder dat ze liever geen olie- en gasactiviteiten afstoten en meer willen investeren in de ontwikkeling van reserves. Dit voorspelt niet veel goeds voor een transitie naar een CO2-arme wereld. Omdat olie en gas op veel plaatsen te vinden zijn, zijn aanbodbeperkingen heel moeilijk door te voeren. Daarom is het wegvallen van de vraag cruciaal om de uitstoot in de energiesector te verminderen. Er is een grote technologische verandering nodig (zoals elektrische voertuigen met goedkopere batterijen), of een sterke verandering van de regelgeving (zoals een koolstoftarifering), om de sector te convergeren naar een vergelijkbare langetermijnstrategie.

Hoewel we aan beide kanten bemoedigende ontwikkelingen zien, is er veel meer nodig om onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen terug te dringen en de gevolgen van klimaatverandering binnen de perken te houden.

Transparantie

Als belegger moedigen we bedrijven aan om transparant te zijn over hun bedrijfsactiviteiten en risico’s die samenhangen met klimaatverandering te rapporteren. Uit onze analyse bleek dat 40 van de 49 bedrijven een jaarlijks klimaat- of duurzaamheidsverslag hadden met beleid over klimaatverandering. Dit is bemoedigend, maar de gedetailleerdheid verschilde sterk. De Europese olie- en gasgiganten waren veel transparanter over hoe zij klimaatgerelateerde risico’s in hun modellen verwerken dan Amerikaanse zwaargewichten. Olie- en gasbedrijven in opkomende markten maakten nog minder, of helemaal geen, details bekend.

Doelstellingen

De doelstellingen lijken vooral gericht op het verkleinen van de milieu- en maatschappelijke impact in de regio’s waar de bedrijven actief zijn. Er was vooral een duidelijke focus op het beperken van de uitstoot van broeikasgassen door meer energie-efficiëntie en -intensiteit, onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologieën zoals Carbon Capture Storage (CCS) en acquisities of investeringen in hernieuwbare energie (zie verderop in deze MindScope). De ambities en reikwijdte varieerden, afhankelijk van de grootte van het bedrijf en waar ze waren gevestigd, met een duidelijk verschil tussen Europa en de rest van de wereld. Van de 49 onderzochte bedrijven rapporteerden er 32 over hun uitstoot in Scope 1[4] en 2. De meeste bedrijven gingen daarbij nog een stap verder en lieten de ontwikkeling van de uitstoot over de afgelopen vijf jaar zien. Over de uitstoot in Scope 3 rapporteerden maar weinig bedrijven, al zijn de bedrijven die het meest transparant zijn over Scope 1 en 2 voornemens om ook Scope 3 in hun jaarverslagen op te nemen.

We zien steeds vaker dat olie- en gasbedrijven het Science-based Targets Initiative[5] opnemen in hun businessmodel. Doelstellingen worden als ‘wetenschappelijk onderbouwd’ gezien als ze in overeenstemming zijn met de vereiste broeikasgasreductie voor een tweegradenwereld, zoals staat in het Akkoord van Parijs van december 2015. Het kan een effectieve manier zijn om een concurrentievoordeel te creëren door te laten zien dat je je als bedrijf inzet voor een CO2-arme wereld. Binnen de olie- en gassector worden deze doelstellingen niet snel omarmd, maar de belangstelling lijkt nu toe te nemen, vooral bij grote bedrijven in Europa.

Investeringen in hernieuwbare energie

Internationale olie- en gasbedrijven richtten zich al op koolstofarme technologieën, maar nog sterker sinds de daling van de olieprijzen in 2014. Daardoor hadden bedrijven nog meer aandacht voor diversificatie- en groeistrategieën voor de lange termijn. Dit geldt vooral voor de geïntegreerde olie- en gasbedrijven, die meer belangstelling tonen voor investeringen in hernieuwbare energiebronnen (vooral wind-, zonne- en biobrandstoftechnologieën).

Een voorbeeld is Equinor[6], dat tot 2017 USD 2,3 miljard in offshore windenergie heeft geïnvesteerd. Op dit onderdeel verschillen Amerikaanse en Europese bedrijven zoals gezegd sterk; Europese bedrijven in de sector zijn veel meer geïnteresseerd in het diversifiëren van de energiemix. Maar zelfs in de portefeuilles van de toonaangevende bedrijven zijn de investeringen in hernieuwbare energie verwaarloosbaar in vergelijking met het bedrag dat nog steeds in olie en gas wordt geïnvesteerd.

Kilmaatverandering en compensatie

Bedrijven in de olie- en gassector kunnen effectief laten zien dat zij zich voor een CO2-arme wereld inzetten door hun prestaties te relateren aan klimaatgerelateerde risico’s. Sommige bedrijven zien hierin een concurrentievoordeel, want het zet hun prestaties af tegen hoe goed ze kunnen overleven in een CO2-arme wereld. Net als voor andere aspecten van deze analyse geldt ook hier dat Europese bedrijven eerder geneigd zijn om zulke modellen te ontwikkelen en de relevante informatie bekend te maken dan bedrijven in de VS en opkomende markten. Er is echter nog geen universele norm voor wat je moet meten en volgens welke kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren, dus elk bedrijf doet het op zijn eigen manier. Je kunt bijvoorbeeld beoordelen hoe de activiteiten van bedrijven aansluiten bij de tweegradenwereld uit het Akkoord van Parijs. De recente aankondiging van het Sky Scenario van Shell is hiervan een goed voorbeeld.

Openbaarmaking van de risico’s

Steeds meer bedrijven in de sector worden aangemoedigd om te testen of hun portefeuille bestand is tegen klimaatrisico’s. Zo kunnen ze beleggers laten zien dat ze voorbereid zijn op eventuele verstoringen door klimaatverandering. Dit kunnen, zoals eerder beschreven onder ‘Klimaatgerelateerde risico’s’, fysieke, technologische, regelgevende en maatschappelijke veranderingen zijn. Slechts acht van de 49 bedrijven in de portefeuille van NN IP hebben een stresstests uitgevoerd op klimaatgerelateerde risico’s, en zelfs binnen deze groep nam niet iedereen de risico’s even serieus. Dit onderstreept de algemene trend in de sector, namelijk dat bedrijven zulke zaken niet snel opnemen in hun modellen.

Engagement, focus op transitie

De olie- en gassector is zeer divers en gecompliceerd, en niet alle bedrijven pakken de klimaatgerelateerde risico’s even serieus aan. Dit maakt het voor ons als belegger moeilijk om een consistente engagementstrategie te ontwikkelen. Sommige bedrijven zijn namelijk veel ontvankelijker voor onze zorgen over klimaatrisico’s dan andere. We vinden echter dat we als belegger een rol in de transitie hebben en daarom hebben we engagementdoelen geformuleerd die we belangrijk achten voor de sector in het algemeen.

Focus op kilmaatverandering

Ondanks alle risico’s en afspraken over klimaatverandering zal de transitie van de energiesector niet van de ene op de andere dag plaatsvinden. Wereldwijd zijn we nog steeds afhankelijk van energie en daarom zal de vraag naar olie niet meteen instorten. Opvallend is dat beleggingsstrategieën meer zijn gericht op het vinden van alternatieven dan op nieuwe bronnen van olie. Als grotere energieverbruikers zoals de EU en China zich blijven inzetten voor beheersing van het broeikaseffect, dan zal dit de fossiele brandstoffenindustrie raken. Volgens het Internationaal Energieagentschap (IEA) zal de vraag naar olie in 2020 maximaal 93 miljoen vaten per dag moeten bedragen om in de buurt te komen van de doelstelling van een temperatuurstijging van minder dan 2 graden. Dit is lager dan het huidige niveau. Olie die bijvoorbeeld voor transport wordt gebruikt, moet in de komende 25 jaar afnemen en worden vervangen door elektriciteit, aardgas en/of biobrandstof. Geen van de ondertekenaars van het Akkoord van Parijs heeft drastische maatregelen toegezegd, maar omdat de kosten van hernieuwbare energie blijven dalen, lijkt een dergelijke transitie steeds onvermijdelijker.

De fossiele brandstof die het meest zal profiteren van de transitie is aardgas. Het biedt veel voordelen als het sterker vervuilende brandstoffen vervangt. De CO2-uitstoot (per eenheid geproduceerde energie) van gas is ongeveer 40% lager dan van steenkool en circa 20% lager dan van olie. Velen zien elektriciteit op basis van gas en hernieuwbare energiebronnen als de eerste stap in een herziening van het mondiale energiesysteem.

Figuur 3: Aandeel aardgas in totale energierelateerde uitstoot van luchtverontreinigende stoffen en CO2

Bron: Internationaal Energieagentschap (IEA), Gould, McGlade, 2017

Een manier van engagement

De uitdaging die er nu ligt, is om de transformatie van de energiesector op gang te houden en sneller vooruitgang te boeken. De ratificatie van het Akkoord van Parijs, maar ook de invoering van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties, laat zien dat er wereldwijd sterke steun is voor de aanpak van klimaatverandering en milieuproblemen. Er zijn snelle en duidelijke signalen en doelstellingen voor de lange termijn nodig om de energiesector richting duurzaamheid te stuwen. NN IP heeft daarom engagementdoelen ontwikkeld die we jaarlijks zullen monitoren en evalueren.

Wat betreft governance verwachten we dat bedrijven transparant zijn over de manier waarop bestuursleden en managementprocessen zorgen voor voldoende inzicht in klimaatrisico’s in besluitvormingsprocessen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om verantwoordingsmechanismen om te zorgen voor inzicht in klimaatgerelateerde risico’s, het vaststellen van KPI’s met betrekking tot klimaatprestaties, de manier waarop incentives worden afgestemd op een passende klimaatrisicostrategie en het expertiseniveau van leden met betrekking tot beslissingen over klimaatrisico’s. Wij zijn ervan overtuigd dat we dit kunnen bereiken door op de jaarlijkse algemene vergaderingen (AVA’s) te stemmen over de keuze van bestuurders en beloningen.

Beleggers eisen steeds vaker dat bedrijven een scenarioanalyse maken van hun vermogen om te overleven in een CO2-arme wereld. NN IP moedigt zulke strategieën aan, bijvoorbeeld door te kijken naar: de vooruitzichten voor de vraag naar energie, de mogelijke effecten van overheidsmaatregelen op het bedrijfsmodel in een tweegradenwereld en de effecten van nieuwe technologieën (zoals elektrische voertuigen of hernieuwbare energiebronnen) op de markt. In het verlengde hiervan stimuleren we beleid, zoals regelmatige stresstests voor portefeuilles bij verschillende klimaat- en scenariorisico’s en de ontwikkeling van research en strategieën op het gebied van dit soort kwesties.

Het toegenomen gebruik van duurzaamheids- en klimaatrapporten naast jaarverslagen voor transparantie en openbaarmaking is wenselijk. We moedigen bedrijven aan om deze ook in hun jaarlijkse rapportage te integreren. Wij vinden dat bedrijven hun uitstoot in Scope 1, 2 en 3 moeten rapporteren en doelstellingen en ambities moeten ontwikkelen op alle drie de niveaus. Daarnaast verwachten we dat bedrijven hun visie en antwoorden op materiële klimaatgerelateerde risico’s en kansen in de verschillende beleggingscategorieën naar buiten brengen. In dit kader is NN IP voorstander van zelfreguleringsinitiatieven zoals de TCFD en ondersteunen we bedrijven die deze initiatieven opnemen in hun bedrijfsplannen.

Zelfregulering zal echter niet voldoende zijn om deze risico’s aan te pakken. Daarom steunen we bedrijven die actief in gesprek zijn met beleidsmakers van de overheid. We doen constructieve suggesties over hoe beleidsmaatregelen kunnen bijdragen aan hun plannen om klimaatgerelateerde risico’s op te nemen in hun bedrijfsmodellen. Dit kan gaan om het ontwikkelen van standpunten over energie- en klimaatbeleid, koolstoftariferingen, doelen voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, en om brancheverenigingen waarvan zij lid zijn. Verder zou er meer bekend moeten worden over de lobbyactiviteiten van een bedrijf en de politieke uitgaven en over of de publieke positionering van een bedrijf ten aanzien van klimaatverandering overeenstemt met zijn lobbyactiviteiten.

Conclusie

NN IP neemt klimaatgerelateerde risico’s in de olie- en gassector serieus en we vinden dat we als belegger een rol hebben in de transitie naar een CO2-arme toekomst. Daarom hebben we engagementdoelen geformuleerd en streven we naar consistentie, waarbij we verwachten dat olie- en gasbedrijven een transitieplan opstellen. Het gaat ons niet om het zwartmaken of bestoken van individuele bedrijven. We willen er juist voor zorgen dat onze beleidsaanpak universeel toepasbaar is op alle bedrijven waarin we beleggen.

Onze inzet voor het aanpakken van klimaatgerelateerde risico’s blijkt ook uit ons lidmaatschap van de Principles for Responsible Investment (PRI) van de VN en het behalen van een A+ rating. Daarnaast zijn we lid van de Institutional Investors Group on Climate Change (IIGCC), die praktische kaders biedt voor een gezamenlijke aanpak van deze problemen. Wij denken dat samenwerking met andere beleggers onze boodschap zal versterken. Daarom doen we mee met een PRI-gecoördineerd engagementinitiatief dat bedrijven vraagt te reageren op de risico’s die zij lopen als gevolg van beperkingen van het gebruik van olie en gas. Verder neemt NN IP deel aan het bedrijfsprogramma van de IIGCC, waar we ons bezighouden met de risico’s en kansen voor bedrijven op het gebied van klimaatverandering, alsook met hun strategieën en prestaties bij het aanpakken en openbaar maken ervan. We zijn daarnaast toegetreden tot de Climate Action 100+-groep.

Zoals we in deze MindScope hebben benadrukt, is het nu vooral zaak om de transformatie van de energiesector op gang te houden en sneller vooruitgang te boeken. Er zijn snelle en duidelijke signalen nodig die zijn afgestemd op de doelstellingen voor de lange termijn om de energiesector richting duurzaamheid te stuwen. Met een actieve engagementstrategie dragen wij ons steentje bij aan de bredere klimaattransitie.

Aantekeningen en bronnen:
[1] Vijfde evaluatierapport, IPCC, Greenhouse Gas Emissions by Economic Sectors
[2] UNFCCC, het Klimaatakkoord van Parijs, oktober 2018
[3] TCFD, 2018
[4] Scope 1, 2 en 3 worden in de onderstaande grafiek
[5] Science-Based Target, the Science-Based Targets Initiative, 2018
[6] Bedrijfsnaam, uitleg en argumenten dienen uitsluitend als voorbeeld en zijn geen aanbeveling om het aandeel te kopen, houden of verkopen

Download het artikel:


Disclaimer
Deze publicatie is uitsluitend bedoeld voor MiFID professionele beleggers. Klik op “Lees meer” voor de gehele disclaimer.

Deze publicatie is uitsluitend opgesteld ter informatie en is geen aanbod noch een uitnodiging om effecten of een ander beleggingsproduct te kopen of verkopen of om deel te nemen in een handelsstrategie noch het verlenen van een beleggingsdienst. Hoewel de inhoud van dit document met de meeste zorg is samengesteld en is gebaseerd op betrouwbare informatiebronnen, wordt er geen enkele uitdrukkelijke of impliciete garantie of verklaring gegeven omtrent de juistheid of volledigheid van de informatie. De informatie in deze publicatie kan zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. NN Investment Partners B.V., NN Investment Partners Holdings N.V., noch enig andere vennootschap of onderdeel dat behoort tot de NN Group, noch een van haar bestuurders of werknemers aanvaarden enige aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid met betrekking tot de hierin opgenomen informatie. Het gebruik van de informatie in deze publicatie is op eigen risico. Het is niet toegestaan dit document te vermenigvuldigen, reproduceren, distribueren, verspreiden of tegen vergoeding beschikbaar te stellen aan derden, zonder de voorafgaande uitdrukkelijke, schriftelijke, toestemming van NN Investment Partners B.V. De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. Deze publicatie is niet bestemd voor US Persons als gedefinieerd in Rule 902 van Regulation S van de United States Securities Act of 1933, en mag niet gebruikt worden voor het werven van investeringen of inschrijven op effecten in landen waar dit niet is toegestaan door de lokale toezichthouder of wet- en regelgeving. Op deze disclaimer is Nederlands recht van toepassing.

Over de auteur

Faryda Lindeman

Faryda Lindeman

Senior Corporate Governance Specialist

Ervaring sinds 2006

Toon meer